Grondslagen begroting en meerjarenraming

De begroting 2027 inclusief de meerjarenraming 2028-2030 is opgemaakt met inachtneming van de voorschriften die het BBV hiervoor aan de gemeente stelt. Dit houdt onder andere in dat:

1. Voor de begroting en de meerjarenraming een stelsel van baten en lasten wordt gehanteerd;

2. De baten en lasten worden geraamd tot hun bruto bedrag;

3. De begroting en de meerjarenraming, volgens normen die voor gemeenten als aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht geeft dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd over de financiële positie en over de baten en lasten.

4. De begroting en de meerjarenraming duidelijk en stelselmatig de omvang van alle geraamde baten en lasten, alsmede het saldo ervan, weergeven.

In dit hoofdstuk worden de grondslagen waarop de begroting is gebaseerd nader toegelicht, wordt een toelichting gegeven op totale lasten en baten en daarbij in hoeverre deze incidenteel of structureel van aard zijn en tot slot een verschillenanalyse op hoofdlijnen gegeven van de verschillen tussen de cijfers van 2027 en de begroting 2026 na wijziging (tot en met juli 2026).

De grondslagen voor de begroting

Algemene uitgangspunten

1. De begroting 2027 dient reëel en structureel sluitend te zijn.
2. De begroting 2028, 2029 en 2030 wordt zover mogelijk reëel en structureel sluitend opgesteld waardoor de toekomstige lasten van besluiten gedekt worden en er ruimte is voor het opvangen van tegenvallers.
3. Er wordt gewerkt met het principe ‘nieuw voor oud’. Nieuwe lasten worden daarbij gedekt binnen het betreffende programma danwel binnen de totale begroting.
4. De autonome en wettelijke ontwikkelingen gaan voor op de wensen voor nieuw beleid.
5. Een begrotingstekort wordt opgelost met maatregelen die een structurele besparing of een structurele opbrengst geven.
6. Er wordt gewerkt met een spaarsysteem (bestemmingsreserves) om te sparen voor grote investeringen in de (nabije) toekomst. Het al gespaarde en nog te sparen geld wordt ingezet om enkele concrete resultaten te boeken.
7. Het investeringsplafond wordt gehandhaafd om de toekomstige schuldenomvang te beheersen

Specifieke uitgangspunten

1. CAO-loonstijging: Een stijging van de loonkosten 1,8% hanteren, conform de raming in het Centraal Economisch Plan 2026 (CEP;
2. Prijsstijging: Een stijging van de prijzen van 2,1% hanteren, conform de raming in het Centraal Economisch Plan 2026 (CEP)
4a. Tarieven voor precariobelasting, leges (voor zover niet aan een maximum verbonden), begrafenisrechten en marktgelden worden met 2,1% geïndexeerd;
4b. Tarieven voor onroerende- en roerende zaakbelasting worden met 2,1% geïndexeerd;
5. Tarieven voor leges (dienstverlening) ten aanzien van:
- evenementenvergunning: het tarief structureel bepalen op € 532 bij evenementen met een commercieel karakter;
- evenementenvergunning met een maatschappelijk karakter: geen kosten in rekening brengen;
6. Tarieven rioolbelasting en afvalstoffenheffing: tariefsontwikkeling op basis van kostendekkendheid;
7. Tarieven voor parkeren (straatparkeren, parkeergarages en parkeerverguningen): indexeren met 2,1%;
8. Tarieven veerdienst: de tarieven jaarlijks verhogen met het prijsindexcijfer voor gezinsconsumptie van het CPB (3,1%);
9. Tarief Lingehaven: het tarief jaarlijks verhogen met het prijsindexcijfer voor gezinsconsumptie van het CPB (3,1%);
10. Tarief riviercruisevaart: de tarieven jaarlijks verhogen met het prijsindexcijfer voor gezinsconsumptie van het CPB (3,1%);
11. Tarief toeristenbelasting: het tarief stapsgewijs naar het landelijke gemiddelde brengen door het jaarlijks met 15% te verhogen in de periode 2025 tot 2028;
12. Tarief naheffingsaanslag parkeerbelasting: het wettelijk maximumtarief aanhouden;
13. Huren niet-woningen: de bepalingen terzake uit de gesloten huurovereenkomsten volgen (wat in de regel neerkomt op een tariefsontwikkeling op basis van de CPI-index alle huishoudens);
14. De rekenrente is bepaald op 1,5%;
15. De rente voor de grondexploitatie is bepaald op 1,5%;
16. Raming aantal inwoners per 1 januari 2027: 39.125;
17. Raming aantal woonruimten per 1 januari 2027: 18.450;
18. Indexatie van investeringen groter dan € 1 mln. met 2,1%;
19. De dotatie aan de meerjarenonderhoudsplannen wordt niet geïndexeerd;
20. Reserve Infrastructuur: positieve jaarrekeningsaldi (45% indien weerstandsratio groter is dan 2), is dan 2), positieve saldi op grondexploitaties en onderuitputting op de kapitaallasten infrastructuur worden toegevoegd aan de reserve Infrastructuur;
21. Reserve Onderwijshuisvesting: jaarlijks € 1 mln. reserveren voor investeringen. Daarnaast toevoegen van de gerealiseerde onderuitputting van de kapitaallasten en de netto-opbrengsten van herontwikkellocaties van voormalige schoolgebouwen aan de reserve, jaarlijks toevoegen van positieve jaarrekeningsaldi (10% indien weerstandsratio groter is dan 2);
22. Reserve Duurzaamheid: besparingen die worden gerealiseerd na realisatie van verduurzamingsprojecten worden jaarlijks toegevoegd aan de reserve duurzaamheid en het jaarlijks toevoegen van positieve jaarrekeningsaldo (10% indien weerstandsratio groter is dan 2)
23. Reserve Sociaal Domein: eventuele saldi op het (programma) sociaal domein worden aan het einde van ieder jaar verrekend met deze reserve. Voor deze reserve wordt een bandbreedte ingeschat van € 3,5 mln. tot € 5 mln. Voor de afroming in 2027 is in verband met de middelen voor de Hervormingsagenda jeugd en de toenemende trapsgewijze dekking gekozen voor minimaal € 5 mln.